Dagboek van een

conducteur

Project
Maandagavond, een rustige Sprinter naar Groningen. Vooraf schat ik altijd een beetje in hoe lang ik denk nodig te hebben om een trein te controleren. Gebaseerd op ervaringen vanuit het verleden met moeilijke reizigers op een traject, aantallen vervoerbewijzen die je er meestal uit moet schrijven, maar ook de drukte is een enorme factor. Het is maandagavond en dat is absoluut niet de drukste avond van de week. Ik ga er dan ook vanuit dat het allemaal wel mee zal vallen. Maar soms kost het meer tijd dan ik had ingeschat. 

De eerste reiziger die ik controleer is een Syrische asielzoeker. Terwijl ik zijn bankpas scan, geeft hij aan dat hij me een vraag wil stellen. In zijn beste Nederlands vraagt hij:
‘Als ik met mijn bankpas incheck, hoe kan ik dan in eerste klas?’
Ik vertel hem dat met een bankpas inchecken momenteel altijd tweede klas is. Hij wil graag weten hoe hij dan toch eerste klas kan reizen. Ik begin het antwoord op te zoeken, maar kom al snel tot de conclusie dat dat meer tijd gaat kosten dan ik denk, dus ik vraag hem of hij tot Groningen meereist en beloof hem straks met het antwoord terug te komen.

Nadat ik de trein gecontroleerd heb, zoals verwacht probleemloos met alleen maar vriendelijke reizigers, loop ik terug naar de Syrische knul. Ik vraag hem of hij alleen naar Zwolle reist vanuit Groningen en met de online keuzehulp dokteren we uit dat een NS Flex Dal Vrij voor hem wel eens het gunstigst uit zou kunnen vallen. Hij kijkt naar de prijs van 119,95 per maand en schrikt daar een beetje van. Tot ik hem voorreken dat hij nu, met zijn wekelijkse reis van Groningen naar Zwolle op en neer, 44 euro per week betaalt, oftewel 176 euro per maand. 
‘Ah, dan is dat beter.’ 
‘En als ik je goed begrijp, wil je als het druk is eerste klas reizen.’
‘Ja.’
‘Dan kun je met dat abonnement in de app binnen een kwartier na het inchecken bij het instappen aangeven dat je die rit eerste klas wilt reizen. Want voor deze rit zou dat denk ik niet hoeven, omdat het zo rustig is.’
Hij begint te lachen;
‘Nee, hier is niemand!’
Er gaat een wereld voor hem open. Het abonnement, de prijzen, de mogelijkheden. Ik laat het hem allemaal zien op zijn telefoon, zodat hij alles terug kan zoeken. 
Zodra we alles hebben doorgenomen en ik hem op het hart gedrukt heb het thuis allemaal even rustig door te nemen, zegt hij:
‘Dankuwel. Ik ga naar Zwolle voor een vrijwilligersproject, ik probeer Nederlands te leren.’
‘Waar kom je vandaan?’
‘Syrië.’
‘En hoe lang ben je hier nu?’
‘Bijna twee jaar.’
‘Als ik naar Syrië zou gaan, zou ik na twee jaar echt niet zo goed Arabisch kunnen spreken als jij nu na twee jaar Nederlands spreekt.’
Hij begint te glunderen. Hij geeft me een hand en bedankt me nogmaals.

Tussendoor zijn we in Meppel aangekomen en heb ik de trein een keer laten vertrekken. Na het gesprek wandel ik door de trein naar achteren en kom ik bij de laatste deur terecht bij iets wat me bij het stationnement in Meppel opviel toen het naar binnen gedragen werd. Ik tref een rollator met daar twee enorme witte dozen bovenop gestapeld.
‘Toen ik jullie in zag stappen, vroeg ik me hardop af: “Wat slepen ze nu weer mijn trein in?”‘ vertel ik lachend tegen de man die naast de rollator staat.
‘Het komt uit het noorden. En zoveel zit er niet in, het is alleen maar dode vis.’
‘Beter dode dan levende, dan hoef je er ook niet meer voor te zorgen.’
‘En het is niet eens van mij, het is van hem,’ wijst de man naar de man die met moeite in Meppel de trein instrompelde en nu op een stoel wat verderop in de coupé zit. 
We komen intussen aan in Hoogeveen, waar het gezelschap met moeite de trein uitstapt. De een omdat hij die rollator met bepakking de trein uit moet krijgen, de ander omdat hij eigenlijk die rollator nodig heeft om te kunnen wandelen. Ik wens ze succes.

Wanneer ik na Assen nog een rondje door de trein loop, ga ik nog even tegenover de Syrische knul zitten. Ik geef hem nog even mee dat hij zelfs met een Dal Voordeel-abonnement nóg goedkoper uit zou kunnen zijn wanneer hij echt alleen maar vier keer op en neer van Groningen naar Zwolle reist. Scheelt nog eens tien euro in de maand. 
‘Maar dan kan je niet in het weekend ook nog naar Amsterdam of Maastricht zonder extra kosten, dus daar moet je maar goed over nadenken.’
Hij bedankt me voor de extra tip. Ik ben er wel even mee bezig geweest hem alles rustig uit te leggen, maar na deze ene rit kan hij wel ruim 50 euro per maand besparen. ‘De volgende keer dat ik je zie, zit je hier vast met een van die abonnementen. Ik ben benieuwd welke je neemt!’ luidt het afscheid van ons gesprek in. 

Gedwongen
Op een dinsdagmiddag in de avondspits breng ik samen met een Zwolse collega conducteur een Intercity van Zwolle richting Amersfoort. Hij kwam al met deze trein uit Groningen en gaat nu als extra mee naar Utrecht. Na even bijgekletst te hebben, vertelt hij dat hij de drukke trein voor driekwart heeft kunnen controleren en dat hij nog drie bakken boven moet doen. En dus besluiten we die samen even af te maken. Dat gaat gemakkelijk en redelijk snel. 

Daarna nemen we weer plaats in de achterste cabine. Wanneer we het station van Amersfoort Vathorst voorbijrijden, begin ik me voor te bereiden op mijn omroepbericht voor Amersfoort. Terwijl ik daarmee bezig ben, klopt er iemand op onze cabinedeur. Mijn collega doet open en treft een reiziger die ietwat paniekerig komt melden dat er iemand onwel is geworden.
‘Mike, kom,’ hoor ik mijn collega zeggen, waarna hij herhaalt dat er iemand onwel is geworden.
We lopen een stuk de trein door en komen in het tweede rijtuig naast het toilet bij een meisje dat een plastic tas voor zich houdt. Ze is bezig daarin haar maaginhoud te legen, wat niet heel erg lukt. 
Ik neem tegenover haar plaats en vraag haar wat er aan de hand is. Met veel moeite maak ik uit haar antwoord op dat ze gedwongen is om wc-eend te drinken. Reden genoeg om meteen de meldkamer in te schakelen.

Daar is het echter ook spitsuur en dus duurt het even voor ik iemand aan de telefoon heb. In de tussentijd heb ik snel een omroepbericht geplaatst voor de overige reizigers dat we aankomen in Amersfoort en heeft mijn collega de collega’s van V&S via de portofoon ingeschakeld. Ik leg aan de meldkamer uit hoe, wat en waar en die schakelen de ambulancedienst in. Ik word doorgeschakeld met de meldkamer van de ambulance, waar ik aanvullende vragen krijg over de situatie. Maar ik moet het doen met de summiere info die ik van het meisje heb gekregen, dus heel veel heb ik eigenlijk niet te vertellen. Er wordt me gevraagd of het misschien om een ontgroening gaat. Het is wel die tijd van het jaar, dat wel, maar ik kan er geen antwoord op geven. Maar er is genoeg reden om de ambulance aan te sturen, zo wordt me verteld. Intussen hebben de collega’s van V&S het meisje de trein uitgeholpen, zodat de inmiddels volgelopen spitstrein weer verder kan.

De collega’s hebben het meisje geparkeerd onder de trap, uit het zicht van de meeste reizigers. Ze vragen nog eens uit wat er is gebeurd en krijgen hetzelfde verhaal te horen als ik. Intussen houd ik de enkele reiziger die net iets te nieuwsgierig komt kijken een beetje op afstand. Omdat ze het koud heeft, wordt er een EHBO-trommel gehaald en wordt ze in folie gewikkeld. Intussen blijft ze de tas vullen, in afwachting van de ambulance. Een keer haar mond spoelen met wat schoon water en afwachten maar. Ze heeft met name last van haar slokdarm geeft ze aan. En dat is natuurlijk geen verrassing…

De collega’s overleggen met de meldkamer, nadat ze haar gegevens hebben doorgegeven. Terwijl de ambulancebroeders met de brancard de lift uitkomen, fluistert een van de collega’s me in dat het meisje ook bekend staat als suïcidaal. Dat ze eerder heeft aangegeven dat ze stemmen hoort. Dat maakt het een wat ingewikkelder verhaal, maar ze houdt ook tegen de collega’s van V&S vol dat ze gedwongen is en dat ze de inhoud van een hele fles op moest drinken. En dat is reden genoeg om ook de politie aan te sturen om een onderzoekje in te stellen. Zodra de agenten naar beneden komen, is het tijd voor mij om door te lopen naar mijn volgende trein. 

Wanneer ik later op de avond nog eens informeer of er daarna nog iets uit is gekomen, stokt de informatie zodra ze door de ambulance is meegenomen, maar dat dat wel onder begeleiding van de politie is geweest. Het enige dat we kunnen hopen is dat ze de juiste hulp krijgt die ze nodig heeft. Een heel vreemde situatie, eentje waar een hoop vraagtekens achterblijven, omdat we niet overal antwoorden op hebben en gaan krijgen.

Denk je aan zelfdoding? Bel dan 24/7 gratis en anoniem met 113 of chat op 113.nl

Instelling
Het is een ontzettend natte nazomermaandagavond en door een aantal verstoringen eerder op de dag belt de Bijsturing mij op terwijl ik onderweg ben naar Groningen met een Sprinter. Ik krijg te horen dat er voor de Intercity die ik terug naar Zwolle moet brengen geen machinist beschikbaar is. De bijstuurder heeft geluk dat ik dat al in de gaten had en dus al was voorbereid op dit nieuws. Hij stelt voor dat ik met dezelfde Sprinter als waar ik nu mee onderweg ben terug naar Zwolle ga, waardoor ik wel een half uur later terug ben aan het einde van mijn dienst. Het is helaas niet anders.

Ruim voor vertrektijd meld ik me in Groningen bij de Zwolse collega conducteur die de trein moet rijden. Ik ga als extra mee. We mopperen wat op het zeikweer van vanavond en vertrekken dan op de geplande tijd.
‘Wil je wat doen aan die trein?’ vraag ik hem retorisch.
‘Ja,’ is zijn resolute antwoord. En dus zet ik mijn spullen in de achterste cabine, terwijl hij alvast aan zijn controleronde begint.

Ik voeg me bij hem en we vliegen door het handjevol reizigers heen. We hebben de helft van de trein al gehad wanneer we in Groningen Europapark aankomen. Omdat ik mijn petje tegen de regen op heb gezet, stap ik naar buiten en blijft mijn collega binnen staan. Daar groet ik een tweetal dat op het perron staat. Maar in plaats van in te stappen, stappen ze op mij af.
‘Meneer? Wij zijn weggelopen uit onze instelling,’ is het eerste dat ik te horen krijg. Het blijken een jonge jongen en een nog iets jonger meisje te zijn.
‘We staan ook al gesignaleerd als vermist, dus nu gaan we terug.’
‘En waar gaan jullie naartoe?’
‘Meppel.’
Ik bekijk het tweetal even voor ik reageer. Ze zijn echt jong en ze zien er allebei vrij verzopen uit door de regen. De blikken in hun ogen verraden ook flink hoe de vlag erbij hangt.
‘Maar we hebben geen kaartjes, dus ik dacht dat we ons beter even konden melden,’ gaat de knul verder.
‘Dat is sowieso het beste dat je kunt doen. En ik ga jullie hier ook niet laten staan. Hebben jullie identiteitsbewijzen bij jullie?’
Ze reageren beide ontkennend. 
‘Iets anders waar je naam op staat?’
‘Ik heb wel een bankpas bij me,’ antwoordt de jongen.
‘Stap maar in, dan komen we zo bij jullie,’ geef ik ze mee, terwijl ik ze bij het instappen hardop hoor bedanken. 

Mijn collega en ik controleren de rest van de trein, waarbij we helemaal voorin een knul tegenkomen die een slap verhaal ophangt dat zijn telefoon net uit is gevallen en hij daarom zijn kaartje niet kan laten zien. Nadat ik hem een uitstel heb geschreven, wandelen we terug naar het tweetal weggelopen kinderen. Want dat blijken het ook echt, kinderen.

Ze zitten naast elkaar en met name het meisje is heel afwachtend wat er gaat gebeuren. Aan hun hele houding valt te zien dat ze heel stoer uit de instelling zijn weggelopen samen en dat er vervolgens maar weinig volgens plan is verlopen. Terwijl ik hun kaartjes naar Meppel sta te schrijven, vraagt mijn collega een paar keer of ze nu echt terug naar de instelling gaan en vooral of de instelling ook weet dat ze onderweg zijn. Diverse keren reageren ze daar bevestigend op. Ik neem de opgegeven gegevens over, het adres dat mijn collega heeft achterhaald van de instelling en neem plaats tegenover het tweetal om het kaartje van het meisje uit te schrijven. Hij blijkt 15, zij 13. 
‘Ja, over twee weken is mijn sweet sixteen,’ zegt de jongen zodra het over zijn geboortedatum gaat. ‘Die gaan we groot vieren bij mijn ouders. Ik mocht al mijn vrienden uitnodigen.’
Een mooi vooruitzicht. 
Hij probeert zich groter voor te doen dan hij is, neemt haar een beetje op sleeptouw. Haar blik verraadt dat ze eigenlijk niet zo goed weet waar ze aan begonnen is. Zodra ik de kaartjes heb uitgeschreven en overhandigd, stel ik ze één vraag:
‘Beloven jullie dat je nu echt terug naar de instelling gaat?’
Bijna in koor bevestigen ze hun belofte.
‘Het is vanavond ontzettend nat, het wordt koud, ga lekker in je warme bed liggen
vannacht, oké?’
Ze bevestigen nog eens dat dat echt het plan is, waarna we afscheid nemen.

Mijn collega en ik nemen plaats in de achterste cabine. De collega is oud-rechercheur en laat zijn gevoel doorschemeren.
‘Ik weet nu niet of ik wel of niet moet bellen…’
‘Als dat voor jouw gevoel beter is, dan moet je dat gewoon doen,’ moedig ik hem aan.
Hij denkt een seconde of drie na en zegt dan:
‘Ja, ik doe het toch.’
Hij zoekt het nummer van de instelling en belt. Hij noemt de namen van de twee kinderen die we in de trein hebben zitten, dat ze weten dat ze als vermist zijn opgegeven en dat ze hebben gezegd dat de instelling weet dat ze onderweg terug zijn.
‘Nou, dan weet je het nu,’ zegt de collega op een bepaald moment lachend. Het gesprek duurt niet langer dan een minuut. Daarna vat hij voor me samen:
‘Ze wisten niet dat ze terug onderweg zouden zijn. Maar nu wel. Hij ging het de politie meedelen. Daar voel ik me toch een stuk beter bij nu ik heb gebeld.’

Onderweg houden we het tweetal een beetje in de gaten.
‘Hij ligt te slapen met zijn hoofd op haar schoot,’ krijg ik te horen. Prima, die hebben elkaar.
In Meppel stappen ze uit, samen onderweg naar waar ze eerder vandaag vandaan zijn weggelopen. Ze bedanken ons in het voorbijgaan, wij wensen ze een fijne avond toe. Twee kinderen met grootse plannen, samen zouden ze wel weglopen en hun heil elders zoeken. Maar om de een of andere reden stokte het in Groningen en kozen ze er toch voor om terug te keren. Ik hoop maar dat ze vannacht, na ongetwijfeld een flinke preek, lekker warm en droog in hun eigen bedje gaan liggen. Ze hebben buiten helemaal niks te zoeken.

Conducteur Mike