Dagboek van een

conducteur

Nacht
Soms draai ik nachtdiensten. Dat is een wereld op zich, met een heel divers publiek. Afhankelijk van wat er op mijn dienstkaartje staat, tref ik treinen die ik in de late diensten die ik gebruikelijk draai niet tegen zou komen. Een nachtdienst is in alle opzichten iets bijzonders; terwijl de meeste mensen allang thuis zijn en zich opmaken om naar bed te gaan, stap ik het station binnen om aan het werk te gaan. Daar tref ik collega’s die aan hun laatste ritten van de dag beginnen of al onderweg zijn naar huis en die ik wel thuis wens. De gebruikelijke, laatste reizigers die op weg zijn naar hun bestemming. Maar ik begin dan nog maar net en zie reizigers die moeten rennen om de laatste trein van de dag te halen.

Er is een verschil tussen reizigers die ’s avonds in de trein zitten, zij die in de vroege ochtend met de trein reizen en zij die midden in de nacht per trein verplaatst worden. De eerste groep bestaat ruwweg uit dezelfde mensen als de groep die ’s morgens vroeg in de trein zit, maar op de een of andere manier toch wat uitbundiger is dan ’s morgens vroeg. En dat heb ik toch het liefst. Maar daar zitten over het algemeen ook de wat minder vriendelijke reizigers tussen. Het nachtpubliek is een mengeling van klanten die ergens zijn geweest en laat op de avond nog naar huis gaan of mensen die midden in de nacht nog plannen hebben. Wat die dan ook mogen zijn. Sommigen zijn heel vroeg op pad om naar Schiphol te reizen, bijvoorbeeld.

Zo kan het gebeuren dat ik de eerste Sprinter vanuit Lelystad naar Schiphol een eindje op weg help. Dit is een belangrijke trein, omdat dit de eerste verbinding van de dag is met de luchthaven en deze aankomt voordat de ochtendshift daar begint. De collega conducteur die de trein zou moeten rijden heeft zich afgemeld, maar die trein moet wel rijden. Tot aan Almere haal ik de vele reizigers op die aan hun werkdag gaan beginnen, daar draag ik de trein over aan een andere opgetrommelde conducteur die de trein verder naar Schiphol brengt. Voor mij staat er een taxi klaar om me meteen terug te rijden over de nog behoorlijk uitgestorven snelweg naar Lelystad, waar ik op de eerste Sprinter van de dag naar Zwolle stap. Ik moet niet vergeten dat de reizigers in de trein net uit bed gestapt zijn, dat ik een beetje rustiger met ze om moet springen dan ’s avonds laat. De meeste mensen zijn op weg naar hun werk, sommigen herken ik van eerdere ritten op de vroege ochtend. Andere mensen zijn op weg naar een bestemming verder weg, zoals het koppel dat met hun twee kleine peuters een internationaal vervoerbewijs laat zien van Dronten naar Wenen. Tegen de tijd dat ik later vandaag wakker word, zijn zij al in Oostenrijk, bijna op hun eindbestemming. Een praatje over de reis die ze gaan maken vormt voor hen het begin van deze treinreis, voor mij het einde van mijn dienst.

In Zwolle eindigt mijn dienst en draag ik de trein over aan de collega van de vroege dienst. Nu is het de omgekeerde wereld; om mij heen lopen de mensen die aan hun werkdag gaan beginnen. Sommigen rennen omdat ze wat aan de late kant zijn en ze hun eerste trein van de dag willen halen. Ik loop het station uit, op weg naar huis. Onderweg rijden de auto’s om me heen allemaal wat gehaaster; misschien ook iets te laat vertrokken van huis om op tijd bij de klant of op de zaak te zijn? Mij maakt het niet uit, mijn bed staat op me te wachten.

Rave
Zaterdagavond, een Intercity van Amersfoort naar Enschede. We zijn met vier collega’s en controleren het voorste stel van de trein. Twee collega’s beginnen voorop, met de Hengelose conductrice begin ik achteraan. In de coupé is alles voor elkaar, mijn collega staat alleen nog iets langer wat uit te leggen. En dus ben ik als eerste op het balkon, waar vier jongens zich bevinden. Vanuit de coupé zag ik door de glazen deur al een hoop beweging en ik heb me vast ingesteld op problemen.

Drie jongens zitten naast elkaar op een van de klapstoelen van de ICM, de vierde staat tegen de muur ertegenover. Of althans, op dit moment, want hij is nogal beweeglijk. Ik controleer twee van de bankpassen die ik overhandigd krijg, mijn collega komt er intussen bij en controleert de derde. En ook die van nummer vier, die tegen de wand steunt. Het blijken vier Schotse jongens te zijn die een weekendje Nederland doen. Ze zijn ietwat luid voor de ruimte waarin ze zich bevinden, duidelijk onder invloed van in ieder geval alcohol.

Terwijl ik met de drie een amicaal praatje maak, is er kennelijk een probleem met de bankpas van nummer vier. Het is een jongen van een krappe twee meter en mijn collega is niet zo heel groot van stuk, dus de verhouding is een beetje zoek. Ik merk aan haar blik dat ze de knul graag aan me overdraagt en dus neem ik de bankpas over. Die is niet ingecheckt. 
‘Dan loop ik vast verder,’ zegt de collega die ziet dat ik het allemaal onder controle heb. Ik knik goedkeurend.
Ik laat aan de knul zien dat hij niet is ingecheckt.
‘Maar dat is onmogelijk!’ zegt hij wat luid, denkend dat hij op minstens vijf meter afstand staat. Maar in werkelijkheid is het vijf centimeter.
Het is een vriendelijke reus met de beste intenties. Hij tovert al snel zijn bankrekening tevoorschijn op zijn telefoon. Ik kijk in de tussentijd in de historie van zijn bankpas.
‘Jullie zijn naar Eindhoven gevlogen?’ maak ik op uit wat ik zie. Dat bevestigt hij meteen;
‘Yeah, from Edinburgh.’
‘Met de bus naar station Eindhoven en met de trein naar Amsterdam?’
Wederom bevestiging.
‘Tot daar gaat alles goed, maar vanaf Amsterdam niet meer,’ vertel ik hem.
Hij laat zijn bankrekening zien.
‘Maar er is zat geld!’ sputtert hij tegen.
Hij laat zijn bankrekening zien. Die staat £110 in de min. Dat wijs ik aan.
‘Maar ik heb £240 overdraft!’
‘Ik denk niet dat je daarmee in kunt checken, omdat je dan in de min staat.’
Dat moet ik hem twee keer vertellen. Hij is ervan overtuigd dat er genoeg geld is. Zijn maatje bekijkt het scherm uiteindelijk ook en is iets minder in de bonen.
Ik maak duidelijk dat ik ga vertellen wat ik moet doen en dan wat ik ga doen. Ik begin over een kaartje met een boete van 50 euro. De reus haalt zijn schouders op; dat moet dan maar.
‘Bij ons zetten ze je gewoon de trein uit. Dat mag ook, hoor,’ hoor ik hem zeggen, terwijl hij het donker van de nacht inkijkt via het raam.
‘Kan ik met mijn kaart voor hem betalen?’ vraagt het maatje bij het zien van het rekeningoverzicht dat duidelijk stelt dat de reus geen cent te makken heeft. Maar de reus slaat dat aanbod meteen af. Hij wil absoluut niet bij iemand in het krijt staan.
Ik stel iets heel anders voor; als een van zijn vrienden de NS-app downloadt, kan die een kaartje voor hem betalen naar hun bestemming.
‘Waar gaan jullie heen?’ vraag ik.
‘Hengelo,’ zegt de ene vriend.
Ik download in overleg voor hem de NS-app op zijn telefoon en koop een kaartje van Amsterdam naar Hengelo. 
‘Wat is zijn naam?’ vraag ik.
‘Callum.’
‘Wanneer gaan jullie dan weer naar huis?’ vraag ik tussendoor, terwijl ik Callums voornaam intik in de app om het E-ticket te kunnen kopen.
‘Hij morgen,’ zegt de vriend die wil betalen.
‘Maar dan vanaf Schiphol?’
‘Yeah.’
‘Dan ga je nu eerst helemaal de verkeerde richting uit om morgen terug te gaan?’
‘We gaan naar een rave,’ vertelt reus Callum, ‘in whats it called?’
‘Hengelo,’ zegt de geldschieter.
‘Die vlucht gaat toch niet heel vroeg?’ vraag ik uit interesse.
‘Nah, om 16.00 uur,’ zegt het maatje, terwijl hij het treinkaartje betaalt via zijn bankrekening.
‘Dat red ik wel,’ zegt de reus. 
Dan heb ik het E-ticket in handen dat ik scan en dat ik aan de reus laat zien.
‘Nu heb je nog één taak,’ zeg ik er lachend bij. Dat komt me op een vragende blik te staan.
‘Bij hem in de buurt blijven, hij heeft je kaartje nu.’}
Ik krijg een hand van de reus, die hij ook eigenlijk niet meer los wil laten. Hij is me ontzettend dankbaar dat ik hem zo heb geholpen.
‘It’s okay, it’s an honest mistake,’ zeg ik erbij. Zodra ik mijn hand terug heb, ben ik hem ook eigenlijk meteen weer kwijt. De reus pakt hem nog maar eens aan, ik laat het maar gebeuren.

In de tussentijd staat mijn collega weer bij me op het balkon, de rest van de trein is gecontroleerd. 
‘Heeft hij de joint zeker betaald dat zijn geld op is,’ zegt ze brutaal, wijzend naar de reus.
‘Nee, ik heb de joint betaald,’ zegt het vriendje dat het kaartje van de reus heeft voorgeschoten.
Mijn collega knikt veelzeggend met een glimlach rond haar mond. Het maatje dat betaald heeft begint dan nog over Schotland, waar ik op aan kan haken omdat ik er een aantal jaar geleden ben geweest.
‘Mooi he? Maar ja, het weer…’
‘Mwah, hier kan het niet veel beter zijn. Het is anders,’ opper ik.
‘Ja, het is wel een beetje hetzelfde,’ krijg ik terug.
‘Veel plezier vanavond,’ rond ik het gesprek af.

Mijn collega en ik lopen de coupé in, weg van het balkon. Even rust aan mijn hoofd. Want wat was het een gezellige, maar drukke boel op dat balkon. Vier Schotse jongens die een weekendje Nederland doen en duidelijk te veel geld aan het uitgeven zijn. Die hebben niet voor niets de mogelijkheid aangezet om op hun bankrekening rood te kunnen staan. En hoe ze dat morgen op de terugweg gaan doen? Ach, ook dat zal vast wel goedkomen…

Eindperron
Met twee collega’s ben ik de laatste Intercity van deze zaterdagavond van Schiphol naar Groningen aan het controleren, direct na vertrek uit Schiphol. Het aanbod aan reizigers valt mee voor de late avond en we zijn al snel bijna door het losse treinstel heen. Een van de collega’s staat voor iemand zonder kaartje te schrijven, dus ik passeer hem en kom uit bij een smoezelig ogende jongen.
‘Ja, ik heb me net bij hem gemeld,’ opent hij het gesprek wijzend, naar de schrijvende collega verderop, nadat ik in het algemeen heb aangekondigd dat ik de vervoerbewijzen kom controleren. 
‘Oké?’ vraag ik, in afwachting van wat er komen gaat.
Dat wat komt, komt wat hortend en stotend.
‘Ja, nou ik heb me dus gemeld, want ik heb geen kaartje, want ik ben mijn schoudertas verloren. En daar zit alles in; mijn pinpas, mijn identiteitsbewijs, alles…’
‘Oké, en waar ga je naartoe?’
‘Ehm, naar het eindperron van deze trein,’ is het wel heel vage antwoord dat ik krijg. 
Normaal zou ik dan aanvullen naar de daadwerkelijke eindbestemming van de trein, maar het vage antwoord triggert iets. Ik twijfel een seconde of ik een andere bestemming zal noemen, maar besluit te vragen:
‘En waar ga jij heen?’
Die vraag is duidelijk niet waar hij op was voorbereid, want hij kijkt me heel even met een blik aan die lichte paniek weergeeft.
‘In welke zin?’ is de ontwijkende wedervraag die ik krijg.
Een reiziger die iets verderop aan de andere kant van het gangpad zit en het gesprek volgt, schiet in de lach. 
‘Nou, waar ga jij naartoe?’ herhaal ik de vraag nog eens, langzaam.
De paniek dat het gesprek niet gaat zoals hij wil uit zich nu in licht gestotter.
‘Ehm… D… Drie…’
Ik spring er meteen op in:
‘Driebergen?’
‘Eh ja,’ pakt hij de reddingsboei die hij denkt dat ik hem toewerp aan.
‘Ah, maar daar gaan wij niet naartoe.’
‘Oh,’ hoor ik hem zeggen terwijl zijn plannetje nu zichtbaar in duigen is gevallen. ‘En, hoe lossen we dat op?’ vraagt hij er voor de zekerheid maar achteraan.
‘Nou, ik zou het volgende station maar uitstappen, want met deze trein ga je niet in Driebergen komen,’ opper ik.
‘Oh. Dan zal ik dat maar doen.’
Ik motiveer hem voorzichtig om alvast aanstalten te maken, want we komen bijna aan op Amsterdam Zuid. Terwijl hij met zijn tasje van een blauwe supermarkt de coupé uitstapt naar het balkon, passeer ik de reiziger die eerder in de lach schoot.
‘Als je geen antwoord op de vragen kunt geven…’ zeg ik schouderophalend en ik trek er een grimas bij. De man schiet in de lach. De knul stapt op Amsterdam Zuid uit.

Even later komen we met de drie collega’s samen. Ik vertel de ene collega bij wie de jongen zich gemeld zou hebben wat de knul mij heeft verteld. Die verduidelijkt:
‘Ik kwam vanaf de achterkant en toen stond hij daar ineens. Toen hij in de gaten kreeg dat hij geen kant op kon, kwam hij ineens naar me toe om zich zogenaamd te melden. Maar ik stond die ander al te schrijven, dus ik heb gezegd dat we zo wel bij hem zouden komen En weet je waarom ik die ene stond te schrijven? Omdat hij zei dat hij zijn schoudertas was verloren.’

We lachen erom; de knul die ik de trein uitgezet heb, had het hele verhaal dus bij elkaar verzonnen. En nu dacht hij mooi makkelijk mee te kunnen naar ‘het eindpunt’. Maar dat eindpunt kwam dus wat eerder dan hij had gedacht.

Conducteur Mike