Vergeten
Fiets
Het is zondagavond en ik ben met een Sprinter onderweg van Zwolle naar Lelystad. Het is rustig, ik heb mijn controleronde zonder problemen kunnen doen en ik krijg de gebruikelijke weekendvragen; hoe kom ik met de werkzaamheden het beste op mijn bestemming? Iedereen tevreden, ik ook.
Er staat alleen een fiets ter hoogte van het toilet. En ik heb niemand gezien die een fietskaartje aan me gaf. Hmm, onderweg maar even in de gaten houden dus. Maar zowel in Kampen Zuid als in Dronten is er niemand die aanstalten maakt de fiets mee te nemen, laat staan dat iemand er mee uitstapt. Er zit ook niemand in de directe omgeving. Ik bereid me voor in Lelystad nog even aandacht te schenken.
Maar zodra ik in de achterste cabine kom, gaat mijn telefoon. De klantenservice belt, ik krijg een door de wol geverfde collega aan de lijn.
‘Ik ben op zoek naar een fiets,’ zegt ze lacherig.
‘Ja, die heb ik wel.’
‘Dat dacht ik al,’ zegt ze lachend. ‘Die man die belt op dat hij vanaf het station weg wilde fietsen, maar dat ging natuurlijk niet, want hij had hem laten staan.’
‘Onvoorstelbaar. Als ik een fietskaartje in mijn handen krijg, zeg ik er altijd bij: niet vergeten mee te nemen. En dan kijken ze me altijd aan alsof ik achterlijk ben.’
‘Ik snap het ook niet, de vragen die ze me hier af en toe stellen… De dingen die mensen vergeten…’
‘Herkenbaar. Maar, wat moet er met die fiets gebeuren?’
‘Ik weet niet of je nog teruggaat?’
‘Nee, ik heb zo pauze. Maar ik kan wel kijken wie er teruggaat met dit stel.’
Dat heb ik snel achterhaald.
‘Oh, ik weet het al,’ meld ik de collega. ‘Zij wil de fiets wel meenemen, sowieso is ze daar beter mee af, want dan hoeft ze er niks mee te doen.’
‘Oh, dat is mooi.’
‘Ik bel haar wel even of ze de fiets mee wil nemen, mocht dat niet zo zijn, dan bel ik wel even terug.’
‘Dat is heel fijn, dankjewel!’

Al snel heb ik mijn Zwolse collega aan de telefoon.
‘Hoest dan?’ neemt ze de telefoon op.
‘Ik heb wat voor je…’
‘Wat dan?’
‘Er staat hier een fiets in die trein die jij zo meteen meeneemt.’
‘Hoe dan?’
‘Tsja… Die man komt hem in Zwolle weer ophalen, dus je hoeft er niks aan te doen verder.’
‘Mooi.’
En daarmee is de deal al verzegeld.
In Lelystad verlaat ik de trein, de fiets blijft achter. Mijn collega neemt de trein met daarin de fiets weer mee.
‘Hij weet dat hij op jouw aankomsttijd in Zwolle moet zijn,’ geef ik haar mee zodra ik haar in het verblijf tegenkom.
Het zal verder vast wel goed komen…
Een uur later informeer ik of ze van de fiets af is.
‘Ja, ik zeg: hoe kun je nou je fiets vergeten? Zegt ‘ie: “Ja, ik was hem gewoon vergeten…”‘
We lachen er maar om, we vergeten zelf natuurlijk ook wel eens iets, dat is en blijft menselijk. Mijn collega weet het wel mooi samen te vatten:
‘Frappant.’
Maar ik weet wel waarom ik bij een fietskaartje opmerk dat de eigenaar die straks niet moet vergeten mee te nemen en dat ik dat vooral ook ga blijven doen…
Gehaald
Het is vrijdagavond laat en met drie conductrices ben ik op weg met een Intercity van Utrecht naar Zwolle. De ene collega is de chef van de trein, de andere loopt in lichte dienst met mij mee en de derde collega is door een verstoring gestrand, waardoor ze met ons mee moet om naar huis te komen. De trein is gecontroleerd, dus nemen we plaats in de eerste klas om even met elkaar te kletsen. We zitten in een van de coupeetjes van de ICM die we bij ons hebben, de eerste klas is erg rustig. Dat kan van de rest van de trein niet echt gezegd worden, het is het carnavalsweekend en er zijn toch nog de nodige mensen op stap zo laat op de avond.
Vanuit de stoel waarin ik zit kijk ik uit op de schuifdeur die de gang naast de coupeetjes scheidt van het balkon waar het toilet zich bevindt. Terwijl we volop met elkaar babbelen, zie ik in mijn ooghoek iets op het balkon gebeuren. Ik zie een man in de weer met de riem van zijn broek. Even heb ik het idee dat hij vergeten is de deur van het toilet achter zich te sluiten voordat hij er gebruik van maakt. Maar iets in mij zegt dat ik even moet gaan kijken. En dus sta ik op en loop ik naar de schuifdeur. Die ik snel openmaak zodra ik bevestigd zie wat ik al vermoedde; de man staat op het balkon tegen de muur en de deur te plassen.
‘Serieus?’ is het eerste dat ik weet uit te brengen.
De man schrikt van mijn komst, draait zich in mijn richting en houdt zich net genoeg in om me niet te raken met zijn straal.
‘Serieus?’ is het enige dat ik nog uit kan brengen.
‘Ja sorry,’ begint hij zichzelf met dubbele tong te verdedigen, ‘maar ik moest echt.’
Ik zie dat er op de toiletdeur een rode Defect-sticker hangt. Intussen stopt hij zijn brandslang gauw weg.
‘Serieus? En dan kom je dat niet even vragen? Ik heb nog een toilet, man!’
‘Ik was al blij dat ik het tot hier had gehaald…’
Ik kijk hem nog even vol verbazing aan; wat moet ik hier nu mee?
‘Je kunt je spullen gaan pakken, in Amersfoort ga je de trein uit.’
Hij loopt uiteindelijk schuldbewust naar de achterste bak weg. Ik loop terug naar mijn collega’s, die het geheel op afstand hebben geprobeerd te volgen.
‘Wat deed ‘ie nou eigenlijk?’ wordt me gevraagd, terwijl er een behoorlijke poeplucht van buiten door de trein heen komt.
‘Die stond gewoon op het balkon te pissen.’
Er komen potjes tevoorschijn die we hebben voor het geval iemand zijn maaginhoud in de trein heeft geledigd, het product haalt dan de onprettige geur uit de lucht. Dat werkt natuurlijk ook met de geur van urine. Dus gooi ik de inhoud van een paar van de potjes over de urine die op het balkon ligt, zodat de urinegeur vervangen wordt door de lichte geur van citroen.
Zodra we even later aankomen in Amersfoort, loopt de collega die lichte dienst met me meeloopt met me mee naar achteren om er zeker van te zijn dat de man de trein ook echt verlaat. Hij staat al wel in de rij om de trein te verlaten, maar wil nog wel de discussie met mijn collega aangaan.
‘Nee hoor,’ kapt ze hem meteen af, ‘ik vind het ook walgelijk wat je hebt gedaan. Gewoon uitstappen.’
‘Als je je niet kunt gedragen, ben je niet welkom,’ geef ik hem nog mee.
Waarna hij gelukkig uitstapt. En wij weer verder kunnen.
De dames vinden het onderweg naar Zwolle prachtig om te horen dat hij zo van me schrok dat hij eerst naar me toedraaide. En dat we maar blij moesten zijn dat hij het tot het balkon had gehaald… Die was zijn goede fatsoen vergeten. Wat een mafklapper.
Geld
Het is vrijdagavond en met twee Groningse conducteurs en een passagierende Groningse machinist ben ik onderweg met een Intercity tussen Groningen en Zwolle. De passagierende machinist wil wel helpen met controleren, dus ik druk hem mijn controleapparaat in de handen en zo lopen we met vier collega’s door de dubbeldekker. Iedereen heeft het voor elkaar, zonder problemen komen we aan in Zwolle, waar de passagierende machinist en een van de Groningse conducteurs afstappen. De machinist is weer een ervaring rijker.
We vertrekken op tijd vanuit Zwolle richting Amersfoort, waarna de collega die nog met me meegaat naar Amersfoort meldt dat hij even naar het toilet gaat. Het duurt alleen opvallend lang voordat hij weer bij me terug is.
‘Ben je nog een keer die hele trein doorgesjouwd, ofzo?’ vraag ik zodra hij eindelijk terug is.
‘Nou, ik doe het ook nooit meer,’ grapt hij, ‘want ik kreeg meteen weer een tas in mijn handen gestopt.’
Hij overhandigt me de achtergebleven tas die hij heeft meegenomen.
‘Ik heb nog niet gekeken wat erin zit, hoor.’
‘Dan kijk ik wel even,’ zeg ik, terwijl ik de tas openrits.
Er zitten de gebruikelijke dingen in, waaronder kleren en een tasje met medicijnen. En dan zie ik iets anders.
‘Dit is niet goed, hoor,’ zeg ik.
‘Oh? Wat dan?’
Ik haal een tasje tevoorschijn waarin een aantal stapels bankbiljetten zitten.
‘Nee joh!’ reageert de collega.
‘Dat wordt tellen!’
Eerst bekijk ik of er verder nog iets waardevols in de tas zit of iets naar de eigenaar zou kunnen leiden. Maar dat vind ik niet.
Dan maar tellen; ons protocol schrijft voor dat zodra er geld gevonden wordt, dit waar mogelijk door twee personeelsleden geteld wordt, zodat het totaalbedrag opgegeven kan worden. En dus beginnen we aan het tellen van de stapels geld. Ik tel hardop het aantal biljetten, de collega telt mee. En de tussenstand noteren we. En zo komen we na het tellen van vele briefjes van 10, 20, een paar van 100 en vooral 50 euro uit op een totaalbedrag van over de 10.000 euro.
‘Dat geld moeten ze meteen op komen halen in Amersfoort,’ besluit de collega. ‘Dat wil ik niet verder meer meenemen, hoor.’
En dus lichten we de meldkamer in over de bijzondere vondst. Die schakelt de collega’s van V&S in om de tas in Amersfoort van ons over te nemen.

Intussen gaat de collega terug naar degene die hem de tas heeft overhandigd. Proberen om wat meer informatie te achterhalen, misschien heeft iemand de bijbehorende eigenaar gezien. Ik blijf met de tas veilig in de cabine zitten, nadat we met elkaar besproken hebben dat we elkaar hierin vertrouwen. Al snel is hij terug met een klein beetje meer informatie, ook over de mensen die ertegenover hebben gezeten. Die hebben gezien waar de eigenaar is uitgestapt. En die info kunnen wij dan weer doorgeven aan de meldkamer.
Bij aankomst in Amersfoort staan de collega’s van V&S op ons te wachten op het perron.
‘We komen ons pakketje ophalen,’ grapt de ene.
We dragen de tas over, vertellen wat de inhoud is en dat mijn collega de meldkamer in zal lichten over de verdere details die hij heeft weten te achterhalen. De collega stapt af, ik ga verder met de trein. We beloven elkaar op de hoogte te houden als we iets horen.
Later op de avond informeer ik nog eens naar het verloop van de rest van de zaak. Ik krijg teruggekoppeld dat de politie de tas en inhoud bekeken heeft, niets verdachts heeft aangetroffen en dat de tas als gevonden goed ingeschreven mag worden. Met de collega bespreek ik dat nog even; mocht de eigenaar zich nog melden en een vindersloon kunnen missen, dan houden wij ons sterk aanbevolen!
Hoe je trouwens zoveel geld in contanten bij je kunt dragen is ons een raadsel. Hoe je dat vervolgens in de trein kunt vergeten, is ons een nog groter raadsel. We zijn zeer benieuwd naar hoe dát verhaal in elkaar steekt. Maar zoals wel vaker, zullen we het ongetwijfeld nooit te weten komen…
Conducteur Mike
