Antwoorden
Wolfheze
Het is donderdagavond midden in de spits. Volgens mijn dienstkaartje zou ik later met een Intercity van Utrecht naar Arnhem moeten rijden, maar tijdens de rit van Zwolle naar Utrecht krijg ik digitaal een nieuw dienstkaartje toegestuurd. In plaats van de Intercity krijg ik een Sprinter naar Arnhem toebedeeld. Door werkzaamheden rijden de treinen anders dan normaal, zo ook deze Sprinter die vanuit Uitgeest via Amsterdam en Utrecht naar Driebergen-Zeist rijdt als Sprinter en dan doorrijdt naar Veenendaal de Klomp, Ede-Wageningen en Arnhem. Door een defecte trein bij Den Dolder loopt mijn Sprinter naar Utrecht 8 minuten vertraging op, dus mijn toch al niet al te lange overstap wordt nog verder ingekort.
Een snelle pitstop in het verblijf in Utrecht verder, kom ik aan bij de semi-Sprinter naar Arnhem. Er zijn nog twee minuten voor vertrek en dus wandel ik even bij mijn machinist binnen, een vriendelijke Arnhemmer. Hij vertelt dat hij ook is bijgestuurd en deze trein heen en ook terug naar Utrecht rijdt. Ik controleer met hem de stops die we gaan maken, zodat we allebei weten wat we aan het doen zijn.
‘En anders merk je vanzelf wel waar ik stop,’ grapt hij.
En zo vertrekken we op tijd vanuit Utrecht. Ik begin met het controleren van het voorste stelletje van de twee SNG’s die ik bij me heb. Het is avondspits, het is druk, maar iedereen heeft een geldig vervoerbewijs.
Na aankomst in Driebergen-Zeist blijft ons sein rood en al snel roept de machinist me via de portofoon op.
‘Er mag nog een vertraagde Intercity voorbij,’ hoor ik hem zeggen.
En dus begin ik vast met het controleren van de eerste klas van het tweede stel nadat ik mijn rugzak heb weggezet in de tussencabine. Zodra ik vervolgens mijn hoofd weer buiten de deur steek, wordt ons sein net veilig en kunnen we vertrekken.
Halverwege de coupé kom ik een knul tegen zonder kaartje. Het kost aardig wat tijd om hem een kaartje te kunnen schrijven omdat hij het allemaal maar moeilijk kan volgen. Maar ook dat lukt me. En vervolgens controleer ik de rest van het treinstel. Net na Ede-Wageningen heb ik iedereen gecontroleerd, inclusief een oudere dame die enthousiast vraagt:
‘Blijven de treinen zo rijden? Want zo gemakkelijk heb ik niet eerder kunnen reizen vanaf Vaartsche Rijn naar Arnhem!’
Maar ik moet haar teleurstellen; zodra de werkzaamheden weer voorbij zijn, zal de originele dienstregeling weer worden toegepast.
Ik neem plaats in de tussencabine en merk dat de machinist trager is gaan rijden. We rijden ter hoogte van Wolfheze en meteen schiet dat door mijn hoofd; in Wolfheze zit namelijk een psychiatrische instelling. Al snel roept de machinist me op:
‘HC, wil je naar voren komen?’
‘Ik zou wel willen, maar ik zit op het achterste stel. Maar als je de trein stilzet, loop ik wel over het perron.’
‘Is goed, ik heb hier een suïcidaal persoon.’
Zodra de trein tot stilstand komt, stap ik de cabine uit en het perron op. Ik zie al snel de persoon om wie het gaat aan het einde van het perron en dat de machinist ernaartoe stapt.
In de hoek aan het einde van het perron staat een knul. Ik kan aan zijn houding zien dat hij niet zo goed weet wat hij moet. Ik hoor hem reageren op de machinist die hem redelijk recht op de man afvraagt wat de jongen hier van plan is.
‘Maar ik doe niks, hoor!’ is het eerste dat ik hem hoor zeggen.
‘Maar je staat hier zonder jas in de kou in het donker, wat is er aan de hand?’
‘Ja, ik ben eruit gezet. Ik heb gisteren een RM gehad, maar die werd afgewezen en nu komt er vijf jaar aan spanning binnen de groep naar boven.’
Niet echt een antwoord waar wij wat mee kunnen.
‘Ga je met ons mee? Want hier blijven staan is ook niks,’ stelt de machinist voor. Dat is de knul wel met ons eens, en dus stapt hij met ons mee de cabine in.
Terwijl we naar de trein lopen, geef ik de jongen een hand en noem mijn naam.
‘Hoi, ik ben Mike.’
Hij geeft me een hand terug en noemt zijn naam.
‘Ga maar op dat klapstoeltje zitten,’ stel ik hem voor, zodra we in de cabine staan, waarna hij op het klapstoeltje in de cabine gaat zitten.
De machinist start de procedure op die in een situatie als deze van toepassing is; er was een alarmoproep uitgegeven voor een verdacht persoon door de Intercity die ons heeft ingehaald in Driebergen. Daarna rijden de treinen met aangepaste snelheid en speuren de machinisten de sporen af of ze de persoon aantreffen rondom de aangegeven locatie. Intussen wordt de politie ingeseind. Maar nu de persoon is aangetroffen en de situatie buiten weer veilig is, moet dat eerst bij de treindienstleider gemeld worden. De politie kan dan op de hoogte gesteld worden van de situatie, de overige treinen kunnen dan weer geïnstrueerd worden dat ze op normale snelheid hun weg kunnen vervolgen. Aangezien daar het nodige bellen en concentratie van de machinist bij komt kijken, neem ik de knul liever mee de cabine uit. Zo weet ik ook zeker dat hij onderweg geen rare dingen gaat doen.

Ik wandel de eerste klas achter de cabine in en vraag de zes reizigers die daar zitten of ze even een plekje verderop in de trein willen zoeken. Ik vertel er niet al te veel bij waarom, maar ze staan zonder te morren op. Waarna ik de knul vraag bij me te komen zitten in de eerste klas. Dan kan de machinist rustig bellen en kan ik zonder al te veel pottenkijkers en luistervinken met de jongen praten.
Het gesprek gaat niet heel diep, alhoewel ik moet toegeven dat ik er ook weinig diepte in zoek. De knul reageert heel helder, kan ook goed vertellen over hoe of wat (hoe warrig ook), maar ik merk ook dat een echt goed gesprek voeren weinig kans gaat hebben. Zijn antwoorden zijn vrij kort en gesloten, tenzij ik specifiek ergens naar vraag. Zoals waarom hij zonder jas bij temperaturen net boven het nulpunt buiten loopt.
‘Ze hebben me eruit gezet.’
‘Bij de woongroep?
‘Ja.’
‘En dan geven ze je geen jas mee?’
‘Nee.’
‘En heb je een identiteitsbewijs bij je?’
‘Nee, ook niet.’
Daar ga ik dus weinig verder mee komen. Ik probeer ook een praatje met hem aan te knopen over de situatie waarin we nu zitten.
‘Wat deed je daar eigenlijk op het perron?’
‘Nou, de spanning van de groep van de afgelopen vijf jaar kwam naar boven, ik wilde even niemand om me heen…’
‘Ja, die zie je daar op het perron niet, nee. Maar mag ik je een tip geven voor een volgende keer dat je zoiets dwars zit? Ga dan niet daar staan. Loop lekker het bos in. Er is toch een mooi bos naast Wolfheze? Daar kom je ook niemand tegen, hoor.’
Hij hoort het zwijgend en zachtjes knikkend aan.
‘Want nu heb je precies het tegenovergestelde bereikt van wat je wilde; nu heb je allemaal mensen om je heen, moet je ineens een praatje met mij maken…’
Hij knikt een paar keer.
‘Nu is mijn machinist geschrokken,’ probeer ik hem nog een klein beetje mee te geven.
‘Oh, maar dat was echt mijn bedoeling niet, hoor!’
‘Nee, dat geloof ik ook wel. We zijn ook niet boos, ofzo. Maar dan krijg je dus dit hele gedoe.’
Zoals ik al zei; geen heel diepgaand gesprek. Maar ik houd hem aan de babbel en door zijn licht geschrokken reactie toen hij op het perron werd aangesproken, heb ik in de gaten dat ik hem beter vooraf kan vertellen wat er gaat gebeuren. En dus vertel ik hem alvast dat we bijna in Arnhem zijn, dat daar mijn collega’s het over komen nemen en dat de politie dan ook een babbeltje met hem komt maken. Dat vindt hij allemaal prima.
‘Heb je ervaring met de politie?’
‘Ja, daar heb ik heel veel ervaring mee.’
‘Nou ja, ze komen om je te helpen, net als wij, oké?’
Hij vindt het allemaal prima.
Dan vraagt de machinist me via de portofoon iets, dus ik sta op en loop even naar zijn cabine. Ik spreek met de knul af dat hij rustig blijft zitten, dat ik zo meteen bij hem terugkom. De machinist krijgt met moeite de bijsturing te pakken, dus we spreken af hoe we een en ander aan gaan pakken. Dat geeft mij de kans om ook even voor de rest van de reizigers in de trein om te roepen; we hebben wel even stil gestaan en we rijden momenteel ook nog niet al te snel door richting Arnhem. Een kort omroepbericht met de uitleg dat we stil hebben gestaan in verband met een suïcidaal persoon en dat we daardoor 10 minuten vertraging hebben opgelopen, meer kan ik ook eigenlijk niet vertellen. En daarna kan ik even vragen aan mijn machinist hoe het met hem gaat. Maar hij zit net als ik in de regelmodus; eerst dit regelen, daarna gaan we het er wel over hebben. Met 12 minuten vertraging rijden we het station van Arnhem binnen.
Dan wandel ik terug naar de knul. Bij aankomst in Arnhem komen de collega’s van V&S er ter assistentie bij. Ze melden dat de politie onderweg is. Terwijl we daarop wachten haal ik mijn rugzak uit het andere stel. Al snel zijn de agenten er en kan ik de knul aan hen overdragen.
‘Je bent weggelopen, of niet?’ vraagt de agent die duidelijk wat meer achtergrondinformatie heeft.
‘Ja,’ is het antwoord.
En dat ene antwoord verklapt mij dat er een behoorlijk verschil zit tussen het verhaal dat hij aan mij heeft verteld en de waarheid. Niet dat het aan mij is om daarover te oordelen, maar het geeft toch een vreemd gevoel.
Ik geef de knul ter afscheid nog een hand en wens hem sterkte. De agenten zullen hem terugbrengen naar de woongroep.
Wanneer de machinist en ik even later bij de wachtdienst zitten, een manager die voor de opvang zorgt na incidenten zoals deze, haal ik dat vreemde gevoel nog even aan. Want, wat deed hij daar nu werkelijk aan het einde van het perron? Was hij echt iets van plan of was hij op zoek naar aandacht? Niet dat we er ooit een antwoord op gaan krijgen. En als we er een antwoord op zouden krijgen is het nog maar de vraag hoe betrouwbaar dat antwoord is.
De machinist breekt zijn dienst af en gaat naar huis. In overleg reis ik terug naar Zwolle, waar ik even rustig aan doe om de laatste twee treinen van de dienst volgens dienstkaartje uit te voeren. Ik weet al met welke collega’s ik op pad mag en dat ik daar mijn verhaal wel bij kwijt kan.
Want een simpel verhaal als deze ene treinrit van 40 minuten heeft toch wel de nodige impact, zonder dat er eigenlijk echt iets gebeurd is.
Denk je aan zelfdoding? Bel dan 24/7 gratis en anoniem met 113 of chat op 113.nl

Maatjes
Het is vrijdagavond en ik ben onderweg met een Sprinter van Apeldoorn naar Almelo. Ik controleer de reizigers in de trein en ik kom bij twee jolige jongens die er duidelijk zin in hebben vanavond, al dan niet aangemoedigd door de blikken bier die ze op het tafeltje naast hen hebben staan. Ze hebben allebei een sjaal om van voetbalclub Ajax.
De ene knul laat zijn chipkaart zien, de ander moet even zoeken.
‘Maar ik heb er wel een!’ zegt hij lachend.
‘Ja, dát heeft hij wel…’ zegt de ander cynisch met een glimlach.
Ik kijk hem aan met een vragende blik.
‘Wij hebben net anderhalf uur zitten wachten, omdat meneer zijn telefoon in de trein vergeten was,’ is de uitleg.
‘Ja, ja…’ reageert de ene, duidelijk meerdere malen eraan herinnerd dat het zijn schuld is. Hij overhandigt me zijn uitgeprinte E-ticket dat prima in orde is.
‘Daar kwam hij achter toen we waren uitgestapt. Toen hebben we zitten rekenen dat die trein anderhalf uur later weer in Apeldoorn zou zijn. Dus hebben we op het perron gewacht.’
‘Maar,’ zegt de ene, terwijl hij zijn telefoon omhoog houdt, ‘ik heb hem weer!’
‘Dat is toch mooi?’ vraag ik.
‘Ja!’ reageert hij.
‘Ja, dat wel, maar daardoor hebben we nu dus wel de wedstrijd gemist. Dus nu gaan we maar weer naar huis…’ moppert de ander.
Ondanks dat hij moppert, krijg ik ook de indruk door de jolige en amicale sfeer tussen de jongens dat het allemaal wel meevalt. Om te beginnen zijn ze bij elkaar gebleven en ze plagen elkaar over en weer.
‘Wel thuis dan maar,’ zeg ik terwijl ik bij ze vandaan loop, ‘en straks je telefoon niet vergeten, he…’
Achter me hoor ik de een de ander weer plagen. Misschien was die voetbalwedstrijd niet half zo belangrijk als hun vriendschap.
Conducteur Mike
